We zijn de Iedereen van wie
’t Stad is en verliezen veel
maar niet onze gezichten.
Niet de herinnering aan wat er
omterallernoodzakelijkst moest
zwichten toen men gericht en met
de tijd mee door het weefsel sneed.
Dat deden die van het verleden.
Nu, in hun toekomst, doet men weer
aan toekomst, langdurig onverwijld, en
maakt taal bochtige tracés om te beslechten.
De Iedereen heeft wat te zeggen.