Daar ben je dan, jij langverwachte,
mooie eenvoud, parel op vier
zware steunpilaren, met oude plooien
in je nieuwe huid. Je had een grote oom
van hout, die spoot in ’t stad gedachten
nat en lichter dan ze waren.
En hij was, net als jij, gewenst.
Zie je die hekken? Hekken zijn je grens.
Daarbuiten zijn nog veel meer grenzen.
Hoor je die wezens achter gaas die met
gekleurde lappen om op twee
voor jouw idee heel dunne pootjes
naar je staan te staren? Die zijn van
onze soort. Wij heten mens.