-
•Ik stoot hier mijn kop, schrijft de wind
-
•(lange lussen en al), ik moet hier vooruit
-
•tussen ruit en vooruitgang, gemorrel van
-
•mensen hoog boven hun hoofd, hoe weet
-
•ik nog of ik wind mee ben of tegen.
-
•
-
•Dit hier is een plek waar de mensen niet
-
•zwegen, ik weet van hun woorden, ik droeg
-
•ze al voort toen ik hier over bossen en
-
•laren en vachten van vee van het volk blies,
-
•ik trek hier al eeuwen aan oren.
-
•
-
•Ik aaide hier voren, liet loof van de pastinaak
-
•wuiven als bakens voor bleke onmisbare
-
•wortels, ik woelde hier haren om, kroop als
-
•een dronkenman onder de rokken van wie hier
-
•vertrokken voor weeral een vijand.
-
•
-
•Want vijand werd vijand genoemd en werd
-
•vijand, ik hielp hem het vuur aan het hout van
-
•de huizen met waaien te laaiend te maken,
-
•ik vrat het verleden mee weg, even
-
•los als wat liep op twee benen.
-
•
-
•En zag op twee benen de schooiers in zijde,
-
•de brouwers en beenhouwers zijn voor het
-
•zijn, ik rook aan de lijven de haastige ziekte,
-
•heb veel oude nieuwen hier weten beginnen
-
•met ergens een binnen, een boom.
-
•
-
•Ik schreef hier onleesbare rimpels op water dat
-
•ongenood kwam, liet drijven wat hoorde te
-
•blijven, ik zag nieuwe straten genoemd naar het
-
•oude, ik jaag mezelf na hier, de hoeken om
-
•fluitend rond al dit doorzichtigs.
-
•
-
•Soms lig ik hier stil. Dan leggen zich vuil en
-
•woestijnzand en zaden en briefjes met
-
•niet-meer-vergeten-dit neer op de tegels,
-
•voor voeten van wie naar de trein moet of
-
•wie hier geborgen wil zijn, iets wil houden.
-
•